De simpelste regel: eet nooit waar het menu in zes talen op het raam hangt. De binnenstad tussen Dam en Leidseplein is ingericht op mensen die één keer komen. Twee straten verder eet je beter en goedkoper.
Zo herken je de val
- Foto’s van het eten op het raam of de stoep.
- Iemand die je actief naar binnen praat.
- Zes talen op de kaart en “tourist menu” als aanbieding.
- Een terras op een looproute vol koffers en rondvaartfolders.
Niets daarvan betekent per se slecht eten, maar samen betekenen ze: te duur voor wat het is.
Waar je wel moet zijn
- De Pijp. Rond de Albert Cuypmarkt en de zijstraten: van Surinaams tot Italiaans, en vrijwel altijd eerlijk geprijsd.
- Oost. De Javastraat en de buurt rond het Oosterpark koken voor de buurt, niet voor de bus. Hier zit veel van het beste betaalbare eten van de stad.
- De Jordaan, net buiten de hoofdroutes. Bruine cafes met een goede keuken en buurtrestaurants waar je wel even moet reserveren.
- Noord. Met de gratis pont: ruim opgezet, vaak in oude loodsen, prima voor lunch.
De klassiekers, goed gedaan
Haring haal je bij een kraam waar ook Amsterdammers in de rij staan. Bitterballen bestel je in een bruin cafe, niet op het Damrak. Een indische maaltijd is een erfenis die de stad serieus neemt; vraag lokaal om een tip. En de stroopwafel eet je vers en warm van de markt, niet uit een blikje van een souvenirwinkel.
Reserveren of niet?
Voor doordeweeks kun je meestal gewoon binnenlopen. Voor vrijdag en zaterdag reserveer je, zeker in De Pijp en de Jordaan. Lukt het nergens, schuif dan aan de bar van een restaurant; daar is vaak nog plek en het eten is hetzelfde.